Mattheus Adrianus Kentie
Hier wordt nog gewerkt.
Mattheus Adrianus Kentie was mijn overgrootvader. Ik weet eigenlijk niks van hem. Ik heb zelfs geen foto van hem. Wel bezit ik iets anders van hem: dat komt later aan de orde. Wat ik weet, komt uit online-archieven. Wat hij vond of wat hij voelde, wat hij meemaakte of hoe hij tegen gebeurtenissen uit zijn leven aankeek, ik weet het niet. Ik weet zo weinig van hem, dat ik me zijn leven niet of nauwelijks kan voorstellen. Dat geldt natuurlijk voor ieder historisch leven, maar vooral voor iemand uit de arbeidersklasse als mijn overgrootvader, die eigenlijk alleen maar schaarse sporen in archieven heeft nagelaten. Ik zal dat proberen aan te vullen met enige historische informatie over de omgevingen waarin hij leefde, hoewel ook dat natuurlijk een heel vage schaduw van de werkelijkheid is.
Visschersdijk in Woudrichem. Schilderij van A. Kentie Jzn.

Mattheus werd op 25 oktober 1861 geboren in Woudrichem, het vestingstadje waar alle Nederlandse Kenties hun wortels hebben: de Schotse marinier Alexander Kentie huwde daar in 1673 Catharina van Gool. Zij was de dochter van Hans (Johannes van Gool), afkomstig uit Mol bij Antwerpen, en Aeltge Cornelis. Mattheus werd op 25 oktober 1861 geboren.

Aangifte Mattheus Adrianus Kentie, geboren op 25 oktober 1861 in Woudrichem. Zijn vader Adrianus was op 6 augustus overleden.
Hij was de jongste zoon van schipper en (bij zijn overlijden) visser Adrianus Kentie, die bij zijn geboorte al was overleden, en Sofia Wilhelmina Buurman. Diens vader Adrianus Willems was zalmvisser, maar was ook korte tijd kastelein en maakte zelfs even, in 1807, deel uit van het stedelijk bestuur. In 1850 was hij een van de ongeveer 80 zalmvissers in Woudrichem, ongeveer 11% van de mannelijke beroepsbevolking. De Merwede zat het ene jaar vol met zalm, maar het volgende jaar was er bijna niks te vangen. De vissers hadden dus een zeer onzeker bestaan, maar meestal was het armoede troef. Ging Mattheus daarom zijn geluk elders proberen?
Hij trouwde op 2 mei 1885 in Sliedrecht met de vijf jaar jongere Engelina Bernhart. Oma Kentie, hun schoondochter, vertelde meermaals, dat we familie waren van Sara Bernardt, de wereldberoemde Franse actrice. Dat klopt natuurlijk niet. Engelina’s moeder heette weliswaar Sara Bernhart, maar werd geboren als Sara Klein. Sara Bernardt was Joods, kleindochter van de Amsterdamse scharrelaar Moritz Bernardt, Sara Klein was zwaar gereformeerd en kwam uit Sliedrecht. Engelina stamt af van de uit Duitsland afkomstige kleermaker Johan Hendrik Bernhard, die een dochter had met de naam Engelina Christina.
Sarah Bernhardt, ca. 1864. Foto: Félix Nadar. Mark Twain: “Er zijn vijf soorten actrices: slechte, redelijke, goede, geweldige. En dan heb je Sarah Bernhardt.”

Mattheus verhuisde dus op enig moment van Woudrichem naar Sliedrecht, aan de andere kant van de rivier en wat verder naar het westen. Een week na zijn huwelijk ging het echtpaar wonen in het nog verder westelijk gelegen IJsselmonde, eerst in wijk A op nummer 137, later op adres C130. Mattheus was overigens eerder dat jaar, op 10 maart, als alleenstaande vanuit Sliedrecht op het eerste adres A137 komen wonen. In Sliedrecht had je wijk C, en dat betrof een deel van de rivierdijk, weet ik uit mijn jeugd. Mijn moeder kwam uit Sliedrecht, bijna al haar broers en zussen (13) woonden er, en in de zomer (in de jaren vijftig) kon ik bij verschillende ooms en tantes een of twee weken logeren. In wijk C was dat soms bij ome Henk en tante Adrie, die in de voormalige pastorie van de hervormde kerk .een bloemenzaak hadden. In Utrecht heb je natuurlijk ook een Wijk C. Deze letteraanduiding van wijken was ingevoerd door de Fransen in 1811: de oorspronkelijke wijknamen konden de Franse bestuurders niet uitspreken.

De bloemenzaak van oom Henk Mostert in Wijk C te Sliedrecht. Rechtsboven zien we tante Adrie (links) en een andere tante.
In IJsselmonde is Mattheus, in 1888 althans meester-schilder, eigen baas dus. Hij adverteert in De Vriend van Oud en Jong, het eerste specifiek christelijke weekblad, dat in 2012 na 130 jaar ophield te bestaan. Hij is op zoek naar een schildersknecht. Acht jaar later adverteert hij weer, nu niet als meester-schilder. De knecht moet wel p.g. zijn: van protestants geloof!

Links: De Vriend van Oud en Jong, jg. 9 (1887-88), nr 41. Rechts: Idem, jg. 17 (1895-96), nr. 26.

Op 1 mei 1901 komt Mattheus te wonen op de Varkenoordsche Kade, nummer 59. Dat adres behoorde lang bij de gemeente IJsselmonde. IJsselmonde werd in 1941 geannexeerd door Rotterdam, maar polder Varkenoord werd al in 1894 bij Rotterdam gevoegd. Hij was Rotterdammer geworden. In 1902 staat hij in het Adresboek Rotterdam vermeld als schildersknecht, een jaar later weer als schilder. In 1906 woont hij aan de Nassaukade Oostzijde 98. Hij is dan weer schildersknecht. Op hetzelfde adres staat weduwe J.H. Bernhart ingeschreven. Geertruida Rhoerman is de weduwe van huisschilder Johan Hendrik Bernhart, broer van Engelina. Hij was overleden in 1905, 42 jaar oud.
Mattheus was dus komen wonen in de wijk Feijenoord, als arbeiderswijk gebouwd in de periode 1885 tot 1910. Ik weet dus zo goed als niks over Mattheus, maar ook niks over de geschiedenis van Feijenoord. Laat ik eens wat uitzoekemn. Het eiland Fijen Oort (oort of noord betekent eiland, gorzen) werd in 1591 voor tweederden door Rotterdam gekocht. In 1658 werd de rest aangekocht. Het bleef tot 1869 wel vallen onder de gemeente IJsselmonde. In 1795 werd het bedijkt. De stad had er al een Pesthuis gebouwd, omstreeks 1794 veranderd in een militair hospitaal.
Het (voormalig) pesthuis, ca 1800. (GAR)

Er kwam een kweekschool voor de marine. De schrijver Willem de Clercq bezocht het eiland in 1814: “Fijenoord is zeker een van de aangenaamste oorden die ik immer gezien heb. De luchtstreek is er voortreffelijk, en de uitgestrektheid van het eiland groot genoeg om de gedachte van op zulk een kleine plek opgesloten te zijn, te doen verdwijnen. Een overheerlijke rij van boomen omkranst het geheele eiland, welks midden uit vette gronden en welige landerijen bestaat”. Dat zou al snel veranderen.
In 1814 stichtte koning Willem I op het eiland een inrichting met fabriek voor het opvoeden van arme kinderen (tussen de 8 en 14 jaar oud). Het werd begin 1818 weer opgeheven. De 110 daar opgevangen Middelburgse wezen werden per Rotterdams beurtschip weer naar huis teruggevaren. In 1825 kocht stoomschipreder Gerhard Moritz Roentgen het terrein van het voormalige Pesthuis en vestigde er scheepswerf en machinefabriek Fijenoord. Het was eerst een reparatiewerf voor de stoomschepen van de Nederlandse Stoombootmaatschappij (NSbM). Al in 1826 werden er stoomketels gebouwd. In 1841 stonden er op het eiland 79 personeelswoningen.

Scheepswerf en machinefabriek Fijenoord in 1850.
De Nassauhaven werd in 1890 gegraven. In 1911 is Mattheus’ nieuwe adres, zonder te verhuizen, Nijverheidstraat 98a. De straatnaam was veranderd. In 1912 is hij schildersknecht. Het jaar daarop is hij ‘werkman’. Dat is hij ook nog in 1913. Op hetzelfde adres woonde toen nog steeds weduwe J.H. Bernhart en winkelbediende W. Bernhart, vast en zeker haar zoon Willem. Mattheus woonde nog kort in de Rosestraat. In 1916 is hij verhuisd naar Bothastraat 15. Op dat adres woonden in 1919 ruim een half jaar zoon Gerrit Willem (mijn opa) en kleinzoon Mattheus Adrianus (mijn oom Theo) in. Op 14 augustus verhuisden de inwonenden naar de Breede Hilledijk nummer 50b. Op 27 augustus kwam Mattheus er ook te wonen. Een maand later werd daar mijn vader geboren.
Bronnen:
Willem de Clercq, Naar zijn dagboek (ed. Allard Pierson). Z.p. z.j. [1869].
François HaverSchmidt, Reis door België en langs den Rijn (ed. René van Slooten).
H. Blink, Van Eems tot Schelde; wandelingen door oud en nieuw Nederland. Deel II. Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, z.j. [1902-1906].
Herman Robbers, De bruidstijd van Annie de Boogh. Amsterdam: Jacs. G. Robbers, 1901.